Home arrow Columns arrow Columns website2 arrow Inhoud arrow Columns website2
Banner
Columns website2

Columns vervolg

  • 28. Rechtspraak in een islamofoob klimaat (4 april 2008) 
  • 29. Ook trots op het antidiscriminatiebeleid van de overheid? (25 mei 2008) 
  • 30. Anti-islamisme: fictie of werkelijkheid? (20 juni 2008) 



  • Klik hier voor de andere recente columns

























    Rechtspraak in een islamofoob klimaat

    Prof.dr. W. Shadid (4 april 2008)


    De islamofobie episodes waarin de islam direct of indirect als onderwerp betrokken is, volgen in de laatste zes maanden elkaar in Nederland in rap tempo op. Een 'ex-moslim' vergeleek de profeet Mohammed met Hitler en kondigde een tekenfilm over zijn huwelijksleven aan. Politici, journalisten en zelfs wetenschappers stonden hem bij om zijn boodschap te verdedigen en wereldkundig te maken.
    Begin dit jaar was er ook de Iranse kunstenares die twee homoseksuele mannen met maskers van de profeet Mohammed en zijn schoonzoon op doek heeft gezet en in het Gemeentemuseum van Den Haag wilde tentoonstellen. De museumdirecteur die de kunststukken weigerde werd maatschappijbreed sterk bekritiseerd omdat hij de vrijheid van meningsuiting zou hebben geschonden.
    De meeste aandacht ging de afgelopen maanden echter naar het voortraject en de vertoning van het anti-islam filmisch pamflet van Wilders. Hoewel de debatten daarover nog in alle hevigheid voortduren, heeft een nieuwe episode met de islam als onderwerp het licht gezien. Het weekblad Opinio heeft vandaag (vrijdag 4 april 2008) een 'faketoespraak' van Balkenende gepubliceerd die hij zondag gehouden zou hebben op een bijeenkomst van CDA-prominenten en waarin hij stelling neemt tegen de islam. In het interview laat het blad de Premier zeggen: "Ik zeg het zonder omwegen: het grote probleem is de islam. Jullie horen het goed, ik zeg niet: de radicale islam of het islamitische terrorisme of het fundamentalisme in het algemeen – nee, ik zeg: het grote probleem is de islam". Klik hier voor het hele interview.
    Namens Premier Balkenende heeft de landsadvocaat bij de voorzieningenrechter in Amsterdam een kortgeding tegen het weekblad aangespannen om rectificatie van het stuk af te dwingen. Het weekblad wordt "gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef en journalistiek fatsoen" verweten. Volgens de hoofdredacteur van het blad is de 'faketoespraak' echter slechts bedoeld als kritiek op het CDA en op Balkenende als leider daarvan, omdat het CDA nauwelijks een strategie heeft ontwikkeld in het debat over de islam in Nederland en zich heeft laten gijzelen door Wilders. Lees hier het bericht.
    Het kortgeding dat vandaag (vrijdag 4 april 2008) heeft gediend is door Balkenende verloren en het weekblad hoeft de toespraak niet te rectificeren. De rechter was van mening dat het hier ging om een verzonnen rede en daarmee is er dus geen sprake van onjuiste of valse weergave van feiten. En "voor zover het hier een kritische bejegening van de heer Balkenende betreft, geldt dat hij zich dit als minister-president en leider van het CDA zal moeten laten welgevallen", aldus de rechter. Uit de uitgebreide mediaberichtgeving van de afgelopen dagen over deze kwestie zou bovendien al voldoende zijn gebleken dat de toespraak nep is. De eventuele schade die hierdoor zou zijn ontstaan zou door de Rijksvoorlichtingsdienst en via diplomatieke kanalen kunnen worden rechtgezet, aldus de rechter. Lees hier het bericht over het vonnis
    Als reactie op het vonnis stelt de RVD dat de uitspraak vele vragen oproept en de landsadvocaat is derhalve gevraagd om in een bodemprocedure een oordeel van de rechtbank te krijgen. In tegenstelling tot een kortgeding wordt de zaak in zo’n procedure grondiger bestudeerd en de rechter hoeft geen rekening te houden met een eerder gedane uitspraak.
    Hoewel de RVD niet aangaf welke vragen het vonnis oproept, is het vonnis mijns inziens niet goed doordacht en gemotiveerd. De capaciteit van het kritisch lezen van burgers is door de rechter mijns inziens sterk overschat, vooral omdat het hier in tweede instantie gaat om de islam die de laatste tijd in de maatschappij onder druk staat. Dat Balkenende zich publiekelijk van de film van Wilders heeft gedistantieerd draagt zeker niet bij aan het verscherpen van de kritische blik van de lezer en doet in dit geval dus minder relevant.
    Door het voorgaande bekruipt mij het gevoel dat de voorzieningenrechter zich heeft laten leiden door het maatschappelijk klimaat waarin de islam in toenemende mate als volksvermaak fungeert. Aantijgingen tegen de islam worden ten onrechte overwegend gekwalificeerd als kunst, vrijheid van meningsuiting, of zoals in dit geval als doorzichtige fictie.
    Of dezelfde rechter hetzelfde vonnis zou hebben uitsproken in een ander tijdsgewricht, of met betrekking tot een andere religie, waag ik te betwijfelen. Het vonnis heeft namelijk verstrekkende gevolgen voor de samenleving en voor de aantasting van de individuele persoonlijke integriteit. Ieder dagblad of tijdschrift zou op grond van dit vonnis een compromitterend verhaal over een ander kunnen fabriceren en publiceren. Bekende Nederlanders worden op deze manier vogelvrij verklaard.
    In deze tijd waarin serieus gepleit kan worden voor ‘het recht om te beledigen’ zonder te worden uitgemaakt voor krankzinnig, speelt het journalistieke fatsoen als correctiemechanisme nauwelijks meer een rol van betekenis. Misschien is er in Nederland geen crisis ontstaan waarvoor de regering naar aanleiding van de film van Wilders onlangs heeft gewaarschuwd. Maar wie de morele crisis waarin het land momenteel verkeert niet inziet, is dromerig of leeft in de rafelrand van de samenleving.
    Hoe dan ook, afgewacht moet worden wat er uit de bodemprocedure tevoorschijn zal komen. Wellicht iets positiefs. Er zijn immers wat lichtpuntjes aan het einde van de donkere Nederlandse islamtunnel. Een demonstratie ‘tegen de islamisering van Nederland’ die vandaag in Den Haag zou plaatsvinden is wegens gebrek aan belangstelling afgelast. Het organisatiecomité verwachtte 150 demonstranten, maar slechts 25 personen kwamen opdagen.Lees hier het bericht.




    Ook trots op het antidiscriminatiebeleid van de overheid?

    W. Shadid (25 mei 2008)


    Werkloosheid onder allochtonen vertoont een grillig beeld. Volgens het CBS was 4% van de autochtonen in 1999 werkloos tegenover 13% van de allochtonen. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) liet voor 2005 cijfers zien van respectievelijk 9 en 20%, en zelfs 40% onder allochtone jongeren. Voor 2007 wordt in de nota “Concretisering plan van aanpak discriminatie op de arbeidsmarkt” van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat op 23 april j.l. aan de Tweede Kamer is gestuurd gesproken van 3.7% en 10.1%. Werkloosheid onder allochtonen is met andere woorden continu bijna drie keer hoger dan onder autochtonen. Werkloosheid onder deze groepen wordt vaak verklaard vanuit het perspectief van 'blaming the victim'. Zij zouden te lui zijn, missen de noodzakelijke scholing en hechten weinig waarde aan onderwijs, terwijl de oorzaak veelmeer in verschijnselen als vooroordelen en discriminatie gezocht moet worden. In de afgelopen drie decennia heeft de overheid toch talrijke maatregelen getroffen om de werkloosheid onder hen te bestrijden, zoals de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen van 1994, diens opvolger de Wet SAMEN, het MKB-convenant, het convenant Grote Ondernemingen en de vele maatregelen van gemeenten. Door het uitblijven van sancties bij niet naleving was het voorspelbaar dat die vooral tot meer bureaucratie zullen gaan leiden. Immers, de wetten legden bedrijven slechts een rapportage verplichting op over de etnische samenstelling van hun personeelsbestanden. Zes jaar later concludeerde de ‘Task force Minderheden en de Arbeidsmarkt’ dat 80 procent van de bedrijven nog steeds geen allochtonen in dienst had. De houding van de overheid met betrekking tot directe, en indirecte vormen van discriminatie, zoals vooroordelen, nepotisme, onnodige eisen en de taal- en representativiteitsmoes (enkele ingrediënten van het glazen plafond), als meest hardnekkige barrières voor allochtonen, was echter overwegend passief, terwijl het effect van discriminatie keer op keer werd bevestigd. Onderzoek in opdracht van Sociale Zaken toonde in 2005 aan dat een derde van allochtonen discriminatie op het werk ervoer. De discriminatiemonitor van het SCP liet vorig jaar zien dat uitgestroomde allochtone HBO- en WO-studenten aanzienlijk vaker zonder werk bleven dan hun autochtone collega’s en dat dit niet te verklaren was uit verschillen met autochtonen voor wat betreft het afstudeercijfer, het niveau van opleiding, leeftijd en geslacht. Ander onderzoek heeft eveneens aangetoond dat allochtone jongeren twee tot drie keer minder kans hadden op een stageplaat. Maatregelen tegen discriminatie kwamen gewoonlijk echter niet verder dan het aankondigen van meer onderzoek, het instellen van commissies, voorlichting over beeldvorming, en het aansluiten bij bestaande maatregelen. Het hierboven genoemde kers verse nota van Sociale Zaken vormt hierop helaas geen uitzondering. De terughoudendheid bij het formuleren van effectieve maatregelen komt niet alleen doordat discriminatie zeer moeilijk aantoonbaar is, maar is eerder het resultaat van gebrek aan politieke durf. Zeker in een tijd waar werkgevers discriminatie als ‘risicovermijdend gedrag’ beschouwen, politici stigmatisering als ‘vrijheid van meningsuiting’ zien, en het verwerpelijke etnocentrisme als ‘trots op Nederland’ kwalificeren. Gedurfd beleid vereist het inzetten van krachtige instrumenten zoals ‘contract compliance’. Een maatregel dat onder andere door de Amerikaanse overheid voor datzelfde doel met succes werd ingezet en reeds in 1989 door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in Nederland is bepleit. Dat houdt in dat overheidsopdrachten vooral worden toegekend aan bedrijven die daadwerkelijk kunnen aantonen dat hun personeelsbestand een afspiegeling is van de etnische samenstelling van de bevolking. Politieke partijen in de coalitie weten dat in de samenleving thans geen draagvlak hiervoor gevonden kan worden, maar staan tegelijkertijd voor een dilemma. Enerzijds staat het treffen van pijnlijke maatregelen ten guste van allochtonen op de arbeidsmarkt gelijk aan politieke zelfmoord, maar anderzijds betekent het voortgaan op de huidige koers uitsluiting van allochtonen en bestendiging van een etnisch gedefinieerde onderlaag in de samenleving. Dit zijn helaas ideale ingrediënten voor meer polarisering en verscherping van de sociale spanningen, vooral in een tijd waar politieke partijen de etnische tweedeling voor demagogische doeleinden misbruiken. Voortzetting van de huidige koers is noch politiek, noch moreel verantwoord.

    Deze column is ook verschenen in de krant ZAMAN.

    Daarnaast is er in dezelfde krant een uitgebreid interview verschenen. Klik hier voor het interview. Klik daarna onder aan de pagina op pagina 14.




    Anti-islamisme: fictie of werkelijkheid?

    W. Shadid (20 juni 2008)


    Een vijandige houding ten opzichte van de islam of moslims in het Westen wordt de laatste decennia met islamofobie en anti-islamisme aangeduid. In officiële (inter)nationale rapporten en in wetenschappelijke publicatie zijn deze termen reeds goed ingeburgerd. Als neologismen zijn beide termen tot stand gekomen naar analogie van bestaande verschijnselen respectievelijk xenofobie en antisemitisme. Eerstgenoemde betekent een overmatige angst voor vreemden cq. voor moslims en de islam, terwijl anti-islamisme kan worden omschreven als een vijandige houding die zich kan uiten in vooroordelen, discriminatie, uitsluiting en in psychisch en fysiek geweld. Hoewel de semantiek van beide termen de inhoud van het verschijnsel weergeeft, gaat de voorkeur uit naar de term anti-islamisme. Deze weerspiegelt namelijk het dynamische en het bewuste karkater van de antipathie en haat tegen deze religie en haar belijders, in tegenstelling tot islamofobie die meer een psychische toestand van ziekelijke angst voor deze religie weergeeft. Een veel gehoorde misvatting is dat afgezien van de historische vooroordelen over deze religie, het anti-islamisme in het Westen pas na de aanslagen in Amerika in 2001 is opgekomen. Echter, reeds in 1992 hebben Van Koningsveld en ondergetekende in het boek ‘de mythe van het islamitische gevaar’ het verschijnsel uitgebreid besproken en haar groei voorspeld. De groei zou vooral worden veroorzaakt door mazen in de wetgeving die het mogelijk maken om culturele en religieuze vijandsbeelden op te roepen en onder de vrijheid van meningsuiting te plaatsen, dit in tegenstelling tot ideologieën die zich uitdrukkelijk richten op vreemdelingenhaat en racisme. In de praktijk betekende dit dat vormen van strafbaar racisme in een culturele verpakking werden gegoten terwijl de inhoud relatief onveranderd bleef. De auteurs van het hierboven genoemd boek voorspelden eveneens dat gelet op de toen heersende beeldvorming over de islam, een dergelijke ideologie veel gemakkelijker aanhangers zou kunnen winnen, ook onder hen die vreemdelingenhaat als zodanig nadrukkelijk verwerpen. Het anti-islamisme als ideologie zou in staat worden om een brede politieke beweging te mobiliseren waarbinnen zelfs grote verschillen in opvatting tussen top en basis over de werkelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van vreemdelingen mogelijk blijven. Wanneer prominente personen uit politiek en wetenschap ook systematisch aan de verspreiding van deze vijandsbeelden zouden gaan bijdragen, de kans groot wordt dat er zelfs een institutioneel anti-islamisme zou gaan ontstaan, aldus de auteurs. Deze zienswijze wordt thans in Nederland helaas bewaarheid in de opkomst van bewegingen als die van Wilders en Verdonk en voorheen die van Fortuyn. In feite bedienen (extreem) rechtse politieke partijen in West-Europa zich momenteel van dezelfde ideologische verpakking. De Monitor Racisme en Extreemrechts waarin een apart hoofdstuk wordt gewijd aan islamofobie toonde aan dat in 2006 de incidentie van anti-islamitische uitingen in Nederland, die van het antisemitisme heeft overtroffen, hoewel dat laatste ook een stijging heeft doorgemaakt. Ook het rapport van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) van 2008 besteedt een apart hoofdstuk aan islamofobie en stelt dat moslims in Nederland onderworpen zijn aan stereotyperend, stigmatiserend en soms ronduit racistisch politiek taalgebruik, vooringenomen mediaberichtgeving en buitenproportionele aandacht voor veiligheids- en ander beleid. Een vergelijkbaar beeld met betrekking tot allochtonen wordt ontvouwd in rapporten van dezelfde commissie over andere landen van de Europese Unie, zoals België, Duitsland en Frankrijk en komt eveneens naar voren in wetenschappelijk onderzoek. Uit deze en vele andere studies in het Westen blijkt overduidelijk dat het anti-islamisme geen fictie is, maar dat het een institutionele werkelijkheid is geworden. Als daar niets tegen wordt ondernomen zal dat de stabiliteit in de samenleving verstoren en etnische conflicten sterk doen verscherpen. De (lokale) overheid dient daarom haar verantwoordelijkheid ter zake te nemen en met effectieve maatregelen te komen. Een adequate aanpak begint met het erkennen en bespreekbaar maken van het anti-islamisme in het land. Naar analogie van het antisemitisme zou het eveneens strafbaar moeten worden gesteld, temeer steeds meer vooraanstaande Nederlanders van joodse achtergrond de overeenkomsten tussen de beide verwerpelijke verschijnselen zijn gaan inzien. Het ontkennen van anti-islamisme en het met ongeloof reageren op bevindingen van de hierboven genoemde rapporten zal alleen leiden tot meer groei van het verschijnsel en tot verdere polarisering en radicalisering. Op den duur zal het anti-islamisme als een vorm van het modern racisme kunnen uitwaaieren naar andere (religieuze) groepen en ideologieën in de samenleving, met alle gevolgen van dien. De aanbevelingen van de ECRI bieden goede handvaten om het verschijnsel een halt toe te roepen. In haar rapport over Nederland doet deze commissie onder meer een beroep op de Nederlandse autoriteiten om zich publiekelijk krachtig te verzetten tegen alle uitingen van anti-islamitische sentimenten in de politiek; geen maatschappelijke discussies te steunen die hoofdzakelijk streven naar polarisatie van de samenleving rond vraagstukken die de moslimgemeenschap aangaan; geen beleid te formuleren dat moslims direct of indirect discrimineert en alle mogelijke gelegenheden aan te grijpen om generaliseringen en associaties van moslimgemeenschappen met terrorisme in het publieke debat en de media aan de kaak te stellen. Ten slotte zouden alle maatschappelijke organisaties zoals scholen, kerken en vakbonden evenals gewone burgers zich openlijk moeten distantiëren van dit verschijnsel, want het bereiken van rust, respect en gelijkwaardigheid in de samenleving is ieders verantwoordelijkheid.


    Deze column is ook verschenen in de krant ZAMAN. Klik hier.




    Klik hier voor de andere recente columns



    Mambo is Free Software released under the GNU/GPL License.